DE SLUIS
In Sappemeer sloot de Kalkwijk vanuit de ‘Olde Friesche Compagnie’ zich aan op het Winschoterdiep. De turf uit bijna alle Veenkoloniën in de Wildervanck en Windeweer waren in de voorgaande eeuwen over Sappemeer verscheept; en alle bevoorrading voor deze streken kwam uit de stad Groningen via hetzelfde vaarwater (het Winschoterdiep). Sappemeer lag op een centraal knooppunt in het diepenstelsel van de gehele Veenkoloniën; en was over de jaren heen de grootste, en belangrijkste plaats in de omgeving geworden. De Friesche compagnie die het Winschoterdiep in het begin van de 17e eeuw had aangelegd; was indertijd op een hoge zandrug in het moeras gestuit (het Hoogezand), en had er vanwege praktische overwegingen een vallaat (sluis) gebouwd (om het waterpeil te controleren), en het diep daarna met een bocht om het Hoogezand heen gegraven. Die vallaat bij het Hoogezand werd beheerd door de familie Martens, waardoor de bocht in het Winschoterdiep ‘De Martenshoek’ werd genoemd. Vlakbij die Martenshoek mondde ook het Kielsterdiep uit op het Winschoterdiep. Alle schepen die in of uit de Veenkoloniën voeren; moesten het vallaat bij de Martenshoek passeren. Wanneer deze ter sprake kwam had men het over ‘De drukke buurt’.
BEDRIJVIGHEID
Binnen alle Veenkoloniën was langzaam maar zeker de meeste bedrijvigheid ontstaan rond de verschillende vallaten: Dankzij de schepen die tijdens het wachten voor een schutting passagegeld moesten betalen; en daarbij gelegenheid hadden om tevens allerlei andere zaken te regelen die aan boord nodig waren; zoals verschoningen, de bevoorrading van voedsel / drinkwater, de uitvoer van kleine reparaties aan de schuit, en herstel / vervanging van handgereedschappen en de diverse werktuigen die aan boord gebruikt werden. Er ontstonden allerlei diensten en ondernemingen in de omgeving van de vallaat. Zo ook bij de Martenshoek; Er waren werkplaatsen en timmerbedrijven waar grote houten tjalken en pramen werden gebouwd, en konden worden gerepareerd. Dankzij het diepere- en bredere vaarwater konden op werven langs het Winschoterdiep bovendien een slag forsere schepen worden geleverd, dan bij de werven langs de smallere diepen (zoals bijvoorbeeld het Kielsterdiep). Uit de bouw van turfschepen ontstond hier ook de ontwikkeling van kleine zeeschepen zoals koftjalken en zeetjalken.
SCHEEPSWERVEN
De eerste werf die men vóór het vallaat vanaf de stad Groningen richting de Martenshoek aan het Winschoterdiep tegenkwam, was de werf van de familie Pattje (begonnen in 1778). Deze scheepsbouwers stonden erom bekend dat ze de eerste dwarshelling hadden ontwikkeld; een technische innovatie voor de regio, die daarna door de andere werven in de buurt werd overgenomen. Verderop was Geert Joosten Bodewes, samen met zijn vrouw Geertje Wijnkes Bijlholt bij de Martenshoek zelf een scheepswerf begonnen (sinds 1812); en in 1836 begon hun oudste zoon weer iets verderop voor zichzelf met een werf te Sappemeer. De werven lagen tussen de woningen aan het Winschoterdiep. Vanaf 1850 ontstond op die manier vanaf de Martenshoek, langs het Hoogezand tot in Sappemeer één langgerekte lintbebouwing aan het water.
KIEL-WINDEWEER
Vlakbij in Kiel-Windeweer begonnen omstreeks A.D. 1830 ook twee broers van de familie Boerma (soms opgeschreven als Boerema) Harmannus Jacobus (1807-1878) en Conraad (1809-1867), een scheepswerf waar houten tjalken (van het algemene type) werden gebouwd en gerepareerd. Deze bevond zich aan de overzijde van het Kielsterdiep waar tegenwoordig het adres Sluisweg 46 is gevestigd. Toen omstreeks het jaar 1845 de derde (en jongste) broer Wilhelmus Boerma (1823-1898) oud en ervaren genoeg was; nam deze de positie van de middelste broer (Conraad) over; en ging Conraad Boerma voor zichzelf verder te Martenshoek. Ook de zoons van de drie gebroeders Boerma gingen op deze werven aan de slag, en leerden het vak van hun vaders. Toen zij oud genoeg waren zetten zij de activiteiten op de werven voort.