HET FRIESCHE SKÛTSJE
Het type schip wat werd gebruikt voor de veenontginning waren in eerste instantie volgens de Friesche methode de platbodemschuiten naar het Friesche model. Dit type schuiten (in het Fries ‘skûtsjes’ genoemd) noemde men ‘tjalken’. Deze tjalkschuitjes waren gebruikelijk bij de eerdere ontginning van het Heeren veen in de Friesche Ommelanden van de stad Groningen; en de heren van de Friesche Compagniën hadden dit type schuitje ook geïntroduceerd bij de ontginningen van (‘t) Windeweer in het Bourtangermoor. Deze schuitjes gebruikte men voor het vervoer van proviand en manschappen vanuit de stad Groningen naar de afgravingen in het moeras; en voor de afvoer van de uit het moeras ontgonnen turf terug naar de stad.
DE GRONINGER TJALK
Friesche tjalkjes zijn relatief kleine schuitjes (skûtsjes); omdat het Bourtangermoeras veel groter en dieper was dan het Heerenveen; en de veenontginning in het Bourtangermoeras daardoor ook veel grootschaliger kon worden aangepakt; was het mogelijk om het zelfde type schuitje veel groter uit te voeren; zodat er in één keer een veel omvangrijker volume aan lading kon worden vervoerd. Deze forsere Groninger versie van de tjalkschepen bleek bovendien daarnaast ook een uitstekend type kustvaarder die zich goed hield binnen de zeegaten in het Waddengebied, waar zij dankzij hun (voor de moerassen ontworpen) relatief geringe diepgang (ook in beladen toestand) en platte bodem handig van pas kwamen in het steeds wisselende tij. Hierdoor werd de Groninger tjalk (indien uitgerust met een zeiltuigage) ook ver buiten de Groninger Veenkoloniën een steeds gewilder scheepstype voor de handelsvaart langs de kusten van landen die we tegenwoordig Nederland, Duitsland en Denemarken noemen (maar indertijd nog niet bestonden in de staatsvormen zoals we deze nu kennen).
SCHEEPSTIMMERWERVEN BIJ DE KIEL COMPAGNIE.
Toen de veenontginning in (‘t) Windeweer gedurende de loop van de tweede helft van de 17e eeuw (1650 t/m 1699) steeds verder vorderde gingen de compagnieën daarnaast ook zoeken naar andere inkomstenbronnen. Door de werkplaatsen van de Kyl Compagnie te Windeweer werden naar verloop van tijd behalve onderhoud- en reparatie werkzaamheden aan het eigen materieel; ook steeds meer schuiten en ‘snicken’ (snicke is een ouderwets woord voor klein bootje) voor steeds meer verschillende opdrachtgevers, uit steeds verdere streken gebouwd, gerepareerd, en opgetuigd. Tot ver in de negentiende eeuw (1800 t/m 1899) waren de schuiten en snicken allemaal van hout. IJzer was moeilijk te bewerken, en daardoor erg schaars; en scheepsbouwstaal bestond nog niet.