DE STOOMMACHINE
Door water te koken ontstaat waterdamp. Wanneer die hete damp wordt opgevangen in een ketel, en daarna niet vrijgelaten ontstaat er stoom, en bouwt er zich binnen de ketel steeds hogere druk op. Een stoommachine gebruikt die druk om met behulp van assen en tandwielen een mechaniek aan te drijven. Waar vóór deze uitvinding sinds mensenheugenis werktuigen werden aangedreven d.m.v. handkracht, trekdieren, water- en windmolens; was er met de stoommachine voor het eerst een kracht realiseerbaar die altijd beschikbaar was.
MANKRACHTEN EN PAARDENKRACHTEN
Eén van de sterkste krachten die de mensen kenden tot het begin van de 19e eeuw; was de kracht van een volwassen werkpaard. Als vuistregel gold dat één ‘paardenkracht’ (PK); vergelijkbaar was met de kracht van gemiddeld eenentwintig volwassen werkmannen. De komst van de stoommachine ontketende een kracht die zo groot was (en zo nieuw), dat men deze alleen kon vergelijken met de krachten die zij toen kenden: Machines met het vermogen van honderd paardenkrachten stond op die manier voor de fysieke kracht van eenentwintighonderd volwassen werkmannen; en dat was nog maar het begin: Ondernemingen kregen er dankzij de komst van stoommachines honderduizenden mankrachten bij. Mannen die altijd wilden werken; zonder morren, en als het moest; vierentwintig uur per dag.
FABRIEKEN
De organisatie rondom een stoommachine vereiste een geheel nieuwe manier van werken. Rondom de machines werden werkplaatsen opgezet waarbinnen de aanvoer van middelen en de uitvoer van producten volgens een vaste structuur werd ingericht. Om de verschillende handelingen en diensten op elkaar af te stemmen werd men meer dan ooit tevoren gebonden aan kloktijden. Waar voorheen de arbeiders grotendeels het eigen werktempo konden bepalen en het ritme van de dagen en seizoenen volgden; waren zij door de nieuwe werkwijze gebonden aan de werktijden van de fabriek, die altijd op een vaste locatie stond en waar de arbeider naartoe moest reizen om het werk uit te kunnen voeren. Wonen en werken raakten hierdoor meer en meer van elkaar gescheiden. Het systeem was nog nieuw, en er was nog maar weinig regelgeving. Veiligheidseisen waren er bijna niet en het werk kon behoorlijk vuil en daardoor ongezond en gevaarlijk zijn. Het fabriekswerk vereiste weinig kennis en vaardigheden, zodat arbeiders inwisselbaar waren. Naast mannen werden ook vrouwen en kinderen ingezet.
EERSTE STOOMMACHINE IN HET NOORDEN
Toen het tegenwoordige Nederland, België en Luxemburg nog in één grote staat verenigd waren ontwikkelden de fabrieken zich aanvankelijk vooral in het zuiden (België). Het noorden (Nederland) was sterk gericht op handel en landbouw. Door een brede inzet van vooral wind- en watermolens die al eeuwenlang gangbaar waren, was hier aanvankelijk veel minder behoefte aan stoommachines. Na de afscheiding van België (A.D. 1830) kwam ook de vraag naar fabrieken in Nederland op gang. Ten opzichte van omringende landen was dat relatief laat. Sinds het jaar 1842 had de jonge ondernemer Willem Albert Scholten een bedrijf in Foxhol waar aardappelen werden vermalen tot meel m.b.v. een rosmolen (paardenmolen). In 1847 stelde de heer Sluis; Scholtens welgestelde schoonvader die zijn vermogen had verdiend in de graanhandel, het bedrijf van Scholten een lening ter beschikking waarmee de werkpaarden konden worden vervangen door een stoommachine. Dit was de eerste stoommachine in het noorden, en dit bleek een gouden investering, die de basis vormde voor de succesvolle toekomst die voor de onderneming van Scholten in het verschiet zou liggen.