DE BOND EUREKA
Provincie Groningen was aan het einde van de 19e eeuw de belangrijkste voedselproducent voor de arbeiders in alle mijnen en fabrieken in heel noordwest Europa; en daardoor één van de rijkste gebieden van Nederland geworden. De aardappelmeelindustrie werd inmiddels absoluut gedomineerd door het machtig geworden concern van de familie Scholten (eerst onder oprichter Willem Albert Scholten en later zijn zoon Jan Evert). De particuliere fabrikanten onder leiding van Scholten richten in 1897 de bond ‘Eureka’ op. Dit was een kartel waarmee onderlinge prijsafspraken werden gemaakt:
HET SCHOLTEN MONOPOLIE
Bij de fabrieken van Scholten werd het zetmeelgehalte van de aardappelen bepaald om de definitieve uitbetaling aan de aardappelboeren te berekenen. Boeren hadden echter al gauw het sterke vermoeden dat de wegingen en metingen stelselmatig in hun nadeel werden uitgedraaid om de inkoopprijs te drukken. Er was destijds geen onafhankelijke controle mogelijk, en zij kregen een extreem lage, op voorhand vastgestelde prijs voor hun aardappelen. De aardappelmeelfabrieken van Scholten waren de enige afnemers, en de boeren konden nergens anders naartoe met hun producten. Met het ‘Eureka’-kartel en het prijsdictaat was de marktwerking verdwenen en een monopolie ontstaan.
Naast de fabrieken begon Scholten daarbij ook zelf grote hoeveelheden landerijen op te kopen die vrijkwamen uit de leeggedolven veengronden in provincie Drenthe; om daarop eigen fabrieksaardappelen te gaan verbouwen. Hiermee werd het Scholten- concern ook nog de directe concurrent van haar eigen leveranciers. Dit zette kwaad bloed. De boeren vreesden dat hun oogst straks helemaal overbodig zou worden. Terwijl de boeren en veenkoloniale arbeiders het financieel steeds zwaarder hadden en hard moesten werken, hadden zij de onderneming van de familie Scholten binnen enkele decennia zien transformeren tot de eerste industriële multinational van Nederland. Scholten bouwde in hun ogen protserige villa’s in en rond de stad Groningen, en liet zelfs een gigantisch eigen grafmonument bouwen. Deze ongelijkheid stuitte op veel weerstand.
DE BOERENCOÖPERATIE
De ontevredenheid vormde de directe aanleiding voor wat tegenwoordig bekend staat als de ‘Groninger landbouwrevolutie’: Onvrede die definitief losbarstte in 1898. Uit direct protest tegen het Eureka-kartel richtten de boeren bij Windeweer in het aangelegen Borgercompagnie een coöperatieve fabriek op: ‘De Eersteling’. Dit bleek een gigantisch succes. Het initiatief verspreidde zich razendsnel, wat vlak daarna nog in datzelfde jaar leidde tot de oprichting van zelfs een tweede fabriek in Kiel-Windeweer: ‘De Eendracht’ (1898) en twee jaar later in Nieuwe Compagnie een derde fabriek; ‘De Toekomst’ (1900), die vlakbij elkaar aan het Kieldiep (het Hoofddiep van Windeweer) waren gevestigd. Door zelf fabrieken op te richten op coöperatieve grondslag werden de boeren gezamenlijk eigenaar en waren hierdoor niet langer overgeleverd aan de grillen van de markt die werd gedomineerd door Scholten. Zij verkregen een gegarandeerde afzet voor hun oogst en deelden mee in de winst van de fabriek. De namen van de fabrieken weerspiegelden het optimisme en de onderlinge solidariteit: door ‘eendrachtig’ samen te werken, bouwden de boeren aan een betere financiële ‘toekomst’ voor elkaar.
Het Scholten- concern zag jaaromzetten teruglopen en probeerde de boerencoöperaties met juridische en financiële middelen actief te verhinderen. Dit werkte juist averechts: het versterkte de drang naar onafhankelijkheid onder de boeren. Al in 1911 verwerkten hun fabrieken meer aardappelen dan alle particuliere fabrieken van Scholten tezamen.