Online Kanaal

Online Kanaal

Historie

GRONINGER WELVAART

DE GESCHIEDENIS VAN KIEL-WINDEWEER (Deel 27): De provincie Groningen bereikte in de tweede helft van de 19e eeuw een periode van grote bloei en welvaart. Bijna nergens in het land rookten er meer fabrieksschoorstenen dan in de Veenkoloniën.

 

PROVINCIE GRONINGEN

In het Oldambt waren de graanboeren uitgegroeid tot ‘herenboeren’, met gigantische lappen grond waarop enorme ondernemingen werden bestiert; en in de inmiddels voormalige Veenkoloniën werden grote hoeveelheden aardappelen verbouwd. Het Groninger- Oldambt en de Veenkoloniën gezamenlijk voorzagen met hun productie een belangrijk deel van alle arbeiders die werkten in de geïndustrialiseerde mijnen en fabrieken van heel Noordwest Europa van voedsel. Op de voormalige moerasbodem van de oude Veenkoloniën was volop de ruimte voor de huisvesting van meer arbeiders, en het opzetten van moderne fabrieken langs het water. Door de aanwezigheid van veel zoet water was het gebied ook voor de strokartonindustrie aantrekkelijk. Alle diepen en wijken in de Veenkoloniën waren gezamenlijk tot het grootste kanalenstelsel ter wereld uitgegroeid. Met een lengte van meer dan de huidige 7.000 kilometer vormen deze waterwerken (tegenwoordig nog steeds) een netwerk wat zelfs langer is dan de Chinese Muur, die zich uitstrekt over een grondgebied van 21.196 kilometer; maar fysiek in losse gedeeltes een lengte heeft bereikt van 6.400 kilometer. De Oude Veenkoloniën worden daarom tegenwoordig ook wel ‘een verborgen wereldwonder’ genoemd. Dankzij dit uitgebreide kanalenstelsel wat was overgeleverd uit de veenkoloniale tijd konden de producten van diep uit de Groninger binnenlanden bovendien praktisch tot in alle verre uithoeken van de wereld worden verscheept en verhandeld. De aansluiting van het Stadskanaal op rivier de Eems sinds 1878 bracht nóg grotere (d.m.v stoom aangedreven) schepen vanuit de mijnen in het Duitse Ruhrgebied; met producten zoals ijzer (voor de scheepsbouw) en gedolven brandstoffen zoals bruinkool en steenkool waarop de steeds groter wordende stoommachines in de steeds talrijker fabrieken konden draaien.

 

LINTDORPEN 

De Veenkoloniën hoorden in de 19e eeuw bij de drukst bevaren vaarroutes in Nederland, en bijna nergens in het land rookten er meer fabrieksschoorstenen dan hier. Volgeladen schepen voeren in lange rijen van- en naar de fabrieken om materialen en grondstoffen aan-, en producten uit te voeren. Bij de vallaten (sluizen) konden de wachttijden oplopen tot enkele uren. In andere delen van Nederland waar ook fabrieken stonden groeiden de dorpen uit tot steden. (bijvoorbeeld Enschede en Eindhoven). Maar dankzij de aardappelenteelt gebeurde dat niet in de Oude Veenkoloniën. Er was veel ruimte nodig om de aardappelen te verbouwen, waardoor nieuwbouw zich hoofdzakelijk langs de diepen bleef concentreren en de verstedelijking bij langgerekte dorpen langs de kanalen bleef, die zich als eindeloze linten door het landschap uitstrekten. Tegenwoordig noemt men dit type bebouwing dan ook ‘lintdorpen’.

 

DOORVAART

De fabrikanten hadden alles mee: Stadskanaal ontwikkelde zich in korte tijd tot een industriële hoofdplaats met de voor die tijd modernste fabrieken, en er vestigden zich ieder jaar weer meer mensen. Over het kanaal voeren jaarlijks zo’n 40.000 schepen op en neer, die sluis- en bruggelden moesten betalen en scheepsjagers inhuurden, die met hun paarden de schepen voorttrokken. Vanaf Stadskanaal richting Bareveld werd het Kielsterdiep voor de steeds grotere schepen te smal en de bochten bij Annerveensche kanaal waren te haaks. T.b.v. de bevordering van de doorvaart voor grotere schepen werd daarom in 1872 ook de dam bij Bareveld tussen het Stadskanaal en het bredere Oosterdiep vanuit Wildervanck naar Veendam opengemaakt en vervangen door een brug. Het Kielsterdiep bleef gewoon bevaren; het bleef de kortste route naar Hoogezand en daar voorbij de stad Groningen en daar weer voorbij de zee; en de aan de andere kant van de historische Semslinie in de provincie Drenthe waren de veenontginningen bovendien nog in volle gang. Daarvoor waren de relatief kleinere tjalkschepen nog altijd het handigst; en de turf moest bovendien volgens het convenant uit 1817 via de Groninger waterwegen worden verscheept. Aan het veerhuis uit 1798 in Kiel-Windeweer vonden in de loop der tijd verschillende verbouwingen plaats; de belangrijkste in 1871: Toen werd het oude pand zelfs geheel afgebroken, en volledig opnieuw opgebouwd in een grotere en modernere variant. Het werd tevens het eindpunt van de veerdienst uit Stadskanaal; de passagiers konden er overstappen op het reeds bestaande veer naar de stad Groningen.


IJZEREN SCHEEPSBOUW 

In Hoogezand ontwikkeld de kennis en het vakmanschap die men in de voorgaande eeuwen al had opgedaan (en van vader op zoon was overgedragen) bij de bouw van tjalken: In 1881 bouwde de familie Bodewes het eerste ijzeren schip; De Onderneming (131 ton). Uit de bouw van turfschepen ontwikkelde zich ook de bouw van kleine zeeschepen. De meeste werven lagen tussen de woningen aan de diepen; maar met de bouw van ijzeren schepen verplaatsten zij zich naar het Winschoterdiep net voorbij de Martenshoek. Op die manier hoefde de relatief kleine sluis niet meer te worden gepasseerd door de nieuw gebouwde schepen, en konden de scheepsbouwers veel langere schepen leveren. Er groeide een steeds omvangrijker scheepsbouw industrie die ook zeegaande kustvaarders ging leveren.

 

PAARDENTRAM

In Veendam vestigden zich de hoofdkantoren van een nieuwe steeds groeiende vloot zeegaande koopvaardijschepen die langs het Winschoterdiep werden gebouwd. Daarnaast stichtten enkele notabelen (o.a. Antony Winkler Prins) (tevens te Veendam) op 31 oktober 1879 de ‘Eerste Groninger Tramway-Maatschappij (EGTM)’. Deze organisatie bouwde allereerst een tramlijn voortgetrokken door paarden op normaalspoor van Zuidbroek via Muntendam en Veendam naar Wildervank. Deze lijn werd op 17 augustus 1880 geopend. Vervolgens werd de lijn doorgetrokken naar Stadskanaal (geopend in 1881). Hiermee had de provincie Groningen de langste paardentrambaan van Europa.

 

EERSTE INDUSTRIËLE MULTINATIONAL 

Ook de onderneming van Scholten ging het voor de wind, en had sinds de eerste vestiging aan het Foxholstermeer sinds 1842 behoorlijk uitgebreid: De fabriek in Foxhol kreeg een laboratorium, waar naar nieuwe producten werd gezocht die uit aardappelmeel konden worden gemaakt. In 1871 had Scholten onder andere in exploitatie: een stroopfabfiek in Hoogezand met 77 arbeiders, een aardappelmoutwijn branderij in Sappemeer, met 60 arbeiders; een aardappelmeel stroop- en sago fabriek te Zuidbroek met 80 arbeiders, en een aardappelzetmeel fabriek in Brandenburg (vlakbij Berlijn). In 1880 draaiden er niet minder dan negentien aardappelmeelfabrieken vanuit de onderneming van Scholten. Tot 1889 volgden de openingen van nog negen andere fabrieken in landen als het Duitse Keizerrijk, Het Oostenrijk-Hongarije en (het toen nog Russische) Polen. Scholten stichtte in totaal zo’n 24 fabrieken, (ook in suiker en strokarton) in binnen- en buitenland. Scholten kan worden beschouwd als ’s werelds eerste landbouw-industrieel- en industriële multinational.

DE GESCHIEDENIS VAN KIEL-WINDEWEER (Deel 26): Jacob Kuyper tekende in de 19e eeuw kaarten van Nederlandse gemeenten. Op de kaart van de Gemeente Hoogezand (1867) is veel informatie af te lezen over de ontwikkelingen in Windeweer.
DE GESCHIEDENIS VAN KIEL-WINDEWEER (Deel 25): Tussen 1850 en 1880 komen er twee belangrijke verbindingen over de grens met het Duitse keizerrijk tot stand; Het Kielsterdiep komt in verbinding met rivier de Eems, en er werd een spoorlijn aangelegd.
DE GESCHIEDENIS VAN KIEL-WINDEWEER (Deel 24): Door de industrialisering groeit tijdens de loop van de 19e eeuw de vraag naar grondstoffen, en ontdekt men onderwijl ook nieuwe energiebronnen.