DE REIS NAAR HET NOORDEN
Een dertigjarige Vincent van Gogh kwam op de late avond van dinsdag 11 september 1883 met de stoomtrein aan in Hoogeveen. Hij was die ochtend vanuit Den Haag vertrokken en via Utrecht en Zwolle uiteindelijk in het Noorden beland, waar de avond al was gevallen en het reeds donker was geworden. De twee jaren daarvoor had de nog jonge Vincent, zoon van een predikant, op aandringen van zijn vader als leerling evangelist onder de arme mijnwerkers in de Belgische mijnstreken gewerkt. Hij nam er zijn geloof zo serieus dat hij kleding en al zijn bezittingen had weggegeven aan de armen. Hij was zelf op de grond in een schuurtje gaan slapen. De kerkelijke instanties vonden die extreme levensstijl onwaardig voor een predikant en hadden zijn contract niet verlengd. Gedesillusioneerd was Vincent teruggereisd naar Nederland, waar hij onder aanmoediging en financiële steun van zijn broer Theo het over een andere boeg gooide en zich ging beroepen als kunstschilder.
NIEUW-AMSTERDAM
Na zijn aankomst op het treinstation in Hoogeveen zocht hij direct onderdak. Voor één gulden per dag overnachtte van Gogh in het logement van Albertus Hartsuiker, waar hij drie weken zou verblijven, waarna hij op 2 oktober 1883 op een trekschuit stapte om via de Hoogeveense Vaart verder te reizen naar het plaatsje ‘Nieuw-Amsterdam’. Hij omschreef deze tocht in zijn brieven als een ‘eeuwige reis’, omdat de boot erg traag voortging. In Nieuw-Amsterdam trok hij in bij het logement van Hendrik Scholte. Vincent bracht er zijn tijd door met tekenen en schilderen. Behalve de weidse landschappen legde hij vooral het zware leven vast van de veenarbeiders en de turfschippers die hij er zag. Toen het najaar vorderde, sloeg het weer om. Het werd koud, regenachtig en vroeg donker. Vincent raakte bovendien eenzaam, en kreeg financiële problemen.
TERUG NAAR BRABANT
Na drie maanden hield van Gogh het op 4 december 1883 voor gezien. Hij liep in de vrieskou de dertig kilometer langs de vaart terug naar het station van Hoogeveen om daar de trein retour te pakken naar zijn ouders in Nuenen (Brabant), waar hij geïnspireerd door de armoede die hij in het veen had gezien begon te werken aan zijn inmiddels wereldberoemde schilderij ‘De Aardappeleters’ (voltooid in 1885). Dit werkstuk wordt door de hedendaagse kunsthistorici veelal gezien als van Gogh’s eerste meesterwerk.
In totaal maakte van Gogh zo’n veertig werken tijdens- en geïnspireerd door zijn verblijf in de Veenkoloniën. Een groot aantal daarvan is tegenwoordig te zien in het Drents museum.