De aardappel (Solanum tuberosum)
De aardappel komt oorspronkelijk uit Zuid-Amerika. De oudste aanwijzing voor het menselijk gebruik van wilde aardappelen komt van een 12.500 jaar oude nederzetting (Laat Pleistoceen) in zuid-centraal Chili, en de Inca’s verbouwden ze al honderden jaren toen deze door Spaanse ontdekkingsreizigers vanuit Zuid-Amerika naar Europa werden gebracht. Waarschijnlijk heeft Diego de Amalya in het jaar 1536 de eerste plant meegenomen uit Peru of Chili. Deze aardappel stond bekend als chunu. Kloostermonniken hebben de aardappel vanuit Spanje naar de andere Europese landen verspreid. Zij pootten de plant in hun kloostertuinen, en deze werden later ook overgenomen in de botanische tuinen van academies. De aardappel groeit in Nederland sinds de Tachtigjarige Oorlog in de Leidse en de Groningse hortus botanica (sinds 1640) en sinds 1689 in die van de universiteit van Amsterdam.
Buiten botanische tuinen verspreidde de aardappelteelt zich in eerste instantie maar langzaam. In de Veenkoloniën waren het vermoedelijk nieuwkomers uit Duitsland en Zwitserland die als veenarbeider naar de streek waren toegetrokken en het gewas op de nieuw ontgonnen moerasbodem uitprobeerden.
In Windeweer en de omgeving heerste er in eerste instantie wantrouwen tegen; ‘Duivelsknollen’ werden ze genoemd. Men had nog nooit een plant gezien die niet uit zaad maar uit knollen groeide en die rare ondergrondse nodules had. De stengels en bessen zijn giftig en men dacht dat de knollen daarom ook ongezond zouden zijn. Bovendien vond men dat het vlees leek op de huid van mensen die Lepra hebben, en men dacht dat het oorzaak was van die ziekte. In eerste instantie werden aardappelen daarom voornamelijk gezien als varkensvoer, of voedsel voor de allerarmsten.
Een beroemd geworden geleerde aan de universiteit van Groningen; de geneesheer Petrus Camper (1722-1789) schreef over de aardappel: ‘Het gemeenne (gewone) volk voedt zich thans alleen met aardappelen, niettegenstaande er nauwelijks slegte spijze kan uitgedagt worden: zij zijn immers zeer stijfzelachtig, en bevatten niet veel voedsel. Daar wordt derhalven eene grootte veelheid van gebruikt, welke in winderigheid en zuur overgaat.’
Omdat de aardappel niet duur was en de varkens er niet ziek van werden werd het gaandeweg ook het voedsel van de armen. Al gauw ontdekten de Veenkoloniale boeren dat aardappelen beter wilde. groeien dan koren en mangelwortelen. Op steeds meer land werd werden aardappelen gepoot.