De bodem onder onze voeten bouwt zich ieder jaar laag over laag over laag over laag op; de dode resten van vegetatie, uitwerpselen van dieren, schimmels, vocht, het neergedaalde stof van vandaag; het bedekt langzaam maar zeker de laag van vorig jaar, die weer de laag van het jaar daarvoor bedekt, die de lagen van de jaren daar weer voor bedekt, enzovoort, enzovoort, enzovoort. Hoe ouder de laag, hoe dieper deze langzaam maar zeker onder het oppervlak verdwijnt; en des te zwaarder het gewicht van de steeds verder opstapelende bovenliggende lagen wordt. Gewicht wat alles daaronder steeds compacter samenpakt en hoe langer, hoe dieper, des te zwaarder uiteindelijk alles samendrukt tot allerlei vormen van steen (in duizenden jaren) en kristallen (in miljoenen jaren).
IJZERERTS
Een gesteente wat voorkomt in vochtige veengebieden en beekdalen is ijzererts; het wordt meestal zo’n 30 tot 50 centimeter onder het oppervlak gevonden. Onze verre voorouders wisten (+/-) 3000 jaar geleden al hoe ze de ijzererts konden bewerken om er voorwerpen van te maken: Leem is een natuurlijk mengsel van zand, klei en silt (stofdeeltjes); waar kleine oventjes van werden gebouwd om de ijzererts in te verhitten tot het vloeibaar werd (bij +/- 1500 °C). De vloeibare hete erts kan vervolgens in een vorm worden gegoten, die het behoud wanneer het weer is afgekoeld en uitgehard. Deze techniek werd duizenden jaren lang gebruikt om bijvoorbeel pijl- en speerpunten, messen, bijlen, zwaarden, en allerlei soorten gereedschappen en beslag van te maken.
MACHINES EN MIJNEN
Dankzij de stoommachine kon men in korte tijd veel meer en veel sneller bakstenen produceren dan voorheen; met bakstenen konden weer veel grotere ovens worden gebouwd waar veel meer ijzererts in kon worden gesmolten, waarmee weer grotere en krachtiger machines konden worden gebouwd. De vraag en productie kwam door deze vicieuze cirkel in een enorme stroomversnelling terecht. Het vloeibare ijzer werd in gigantische hoeveelheden verhit, er werden grote platte platen van gewalst, die weer konden worden verwerkt in allerlei vormen van constructie en profielen. Zo bleek ijzer een uitermate geschikt materiaal om bijvoorbeeld treinrails van te maken, of om schepen van te bouwen.
Stoken! De ovens werden steeds groter, en vroegen om steeds meer brandstof. In eerste instantie was deze ontwikkeling gunstig voor de turfwinning; maar in het zoeken naar ijzererts groeven de mensen steeds dieper en steeds verder: Vooral in de Belgische Ardennen en in het Duitse Ruhrgebied was er veel ijzererts te vinden. Er ontstonden mijnen, die ook steeds industriëler konden worden opgezet en in rap tempo steeds dieper, steeds verder onder het aardoppervlak reikten.
Veengrond wat door de tijd diep genoeg onder lagen grond is verdwenen versteend in bruinkool of steenkool; ook dit werd veel in die Belgische en Duitse mijnen aangetroffen; en bleken nog veel betere brandstoffen dan turf. De vraag naar ijzererts, bruinkool en steenkool begon in de loop van de 19e eeuw steeds meer toe te nemen, terwijl de vraag naar turf (langzaam maar zeker) afnam.
AARDOLIE EN ELEKTRICITEIT
Ondertussen begonnen halverwege de 19e eeuw aan de overkant kant van de Atlantische oceaan nog meer nieuwe ontwikkelingen zich aan te dienen: In Amerika, in Pennsylvania werden aardoliebronnen ontdekt. Ook dit bleek uitstekend bruikbaar voor bijvoorbeeld verlichting (olielampen). Verder begonnen allerlei uitvinders met het onderzoeken van; en het experimenteren met de statische ‘stroom’ die zich ontwikkelde in de bewegende en ronddraaiende onderdelen van metalen machines; ‘Elektriciteit’ werd dit fenomeen genoemd.