Online Kanaal

Online Kanaal

Nieuws

VEERDIENST TUSSEN WINDEWEER EN GRONINGEN-STAD

DE GESCHIEDENIS VAN KIEL-WINDEWEER (Deel 16): Tussen 1798 en 1949 was er een regelmatige veerdienst d.m.v. trekschuiten over het water tussen Windeweer en de Stad Groningen: ‘De snik op stad’.

 

AAN HET EINDE VAN DE ACHTTIENDE EEUW

De verbrandingsmotor bestond nog niet, elektrische apparaten waren ook nog niet uitgevonden; alles gebeurde met windkracht, waterkracht, vuur- en spierkracht door man en paard of os. Het leven aan het einde van de achttiende eeuw (1700-1799) leek sterk op dat wat we tegenwoordig nog bij verschillende Mormonen- en Amish gemeenschappen in Amerika in de binnenlanden van de Verenigde Staten aantreffen. Sterker nog; deze gemeenschappen zijn de afstammelingen van voorouders die ook uit de Veenkoloniën vandaan kwamen, en op vergelijkbare manier leefden.

Windeweer was een gebied wat in de zeventiende eeuw (1600-1699) als concessie door de stad Groningen werd verpacht aan de Olde Friesche Compagnie en de daaruit voortgekomen Nieuwe Friesche Compagnie en Kylcompagnie. Aan de buitengrenzen van Windeweer lagen de nederzettingen die waren onstaan rond de koloniën van de Olde Friesche Compagnie (later Lula en Kalckwijk genoemd) en de Nieuwe (Friesche) Compagnie; en door het midden van Windeweer liep het Kieldiep met onderaan (stroomafwaarts) ‘de Kyl’ (later de Kiel).

In Windeweer was sinds de loop van de zeventiende eeuw (bijna) geen veen meer (1654). De veenafgravingen waren verder omhoog (stroomopwaarts) gevorderd voorbij de Wildervanck (vanaf 1771 tot +/- 1785), richting het Bareveld; waar het toen nog aan te leggen ‘kanaal van den stad’ (Stadskanaal) nog verder naar het oosten, richting Ter Apel moest komen. De gronden in Windeweer waren na de turfwinning voor intussen al bijna anderhalve eeuw (sinds 1654) verpacht en gecultiveerd volgens de ‘conditiën van verhuringe’ (1624) die de stad voor de Veenkoloniën had opgesteld. Gemengde boerderijen (zowel landbouw als veeteelt) en werkplaatsen voor hout- en ijzer bewerking, en de verwerking van de producten van het land hadden zich langs de diepen gevestigd. Bij de Kylster vallaat (de sluis) was ‘de Kiel’. Zeg maar het toenmalig bedrijventerrein van Windeweer, waar ooit (anderhalve eeuw tevoren) de Kylcompagnie als kolonie in het Boertangermoer was aangevangen (1647) met de veenafgravingen en waar nu allerlei werkplaatsen (voornamelijk scheepstimmerwerven) werden gerund. Verder stroomopwaarts (naar boven) was midden in de concessie Windeweer e.e.a. in cultuur gebracht; de eerste school was er gesticht (1722), de eerste kerk werd gebouwd (1754-1763) (tegenwoordig de Amshoff), en er stond een stellingmolen met spinnenkop die fungeerde als zaagmolen / korenmolen (sinds 1770). Deze locatie middenin Windeweer was vanuit alle hoeken in de concessie het meest centraal gelegen, en daardoor ook bereikbaar voor de inwoners in de Olde- en Nieuwe (Friesche) Compagnieën.

Verharde wegen waren er nog maar weinig. De Swarte weg (de voorloper van de Kielsterachterweg) was aangelegd naar Sappemeer (1772). Er waren klapbruggen over het kieldiep met lanen naar de swarte weg toe en diverse draai- en ophaalbruggen over de diepen en wijcken. Openbaar vervoer was er nog niet. Er ontstond behoefte aan een regelmatige verbinding met de stad Groningen, en over het water was de kortste weg. De wens om een eigen beurtveer met de stad te onderhouden zal vanuit deze dorpssituatie naar voren zijn gekomen.

 

REGLEMENTEN VAN ORDE OP HET WATER

In de Veenkoloniën waren naar verloop van tijd twee categorieën vaste veerdiensten d.m.v. trekschuiten op verschillende steden en dorpen ontstaan. De ene categorie; met een opbouw als salon, was bedoeld voor personenvervoer en klein vrachtvervoer. De andere categorie was vooral gericht op het vervoer van vrachtgoederen (vooral landbouwproducten), dus voorzien van een groot ruim met belaadbaar dek en een relatief kleine aan het ruim grenzende roef (accommodatie).

De stad Groningen was eigenaar van de diepen en had een ‘Ordonnantie op het Winschoter Veer en bijveren ’ (reglement van orde) opgesteld voor de schepen die door het Heerendiep en aangesloten diepen en wijcken tussen de stad en Winschoten voeren. De Ordonnantie bevatte de voorgeschreven vrachttarieven (t.b.v. de door de stad geheven belastingen), en was tegelijk ook een scheepvaartreglement; een verkeersreglement voor het vaarwater. Het ging in beginsel om de voorrangspositie van de trekschuiten op het andere (zeilende) scheepvaartverkeer. De trekvaartschippers moesten op een ongehinderde vaart in verbinding met het jaagpad kunnen rekenen. De ordonnantie vermeld alle verplichtingen voor de schippers met als doel de veiligstelling van een ongehinderde vaart van de trekschuit temidden van het andere scheepvaartverkeer op het Heerendiep (tegenwoordig het Winschoterdiep) en daarop aangesloten diepen en wijken. De schuit moest op reis naar Groningen rechts in het diep varen; dicht langs het jaagpad voor de paarden. Schepen mochten aan de linkerkant van het kanaal alleen met gestreken mast stilliggen voor de nacht of om te laden en te lossen. Kon een mast niet gestreken worden, dan moest de schipper van die schuijt de van de paarden los gemaakte lijn (knuppel) opvangen en voorbij de mast naar de wal terugwerpen naar de scheepsjager. Indien tegemoetkomende schepen met opstaande mast (en eventueel zeil) voeren, was dezelfde procedure voor de jaaglijn aan de orde. Nadat de zon was ondergegaan mochten er geen schepen meer een ligplaats innemen aan de jaagpadzijde van het diep, maar moeten aan de overkant van het diep een ligplaats kiezen.

 

DE REGELS AAN BOORD

Voor een zo prettig mogelijk verblijf aan boord was het noodzakelijk dat de passagiers elkaar geen overlast bezorgden. Daarom voorzag de ordonnantie ook in huisregels met verplichtingen voor de schipper en passagiers aan boord van de schuiten. Allereerst was het noodzakelijk dat de bagage van de passagiers geen overlast gaf aan de medereizigers. Kleine bagage moest onder de banken langs de zijkanten van de accommodatie worden opgeborgen. Daarvoor was geen vrachtgeld verschuldigd. De schipper was verplicht behoorlijk gedrag van de passagiers aan boord te verzekeren: Ingeval van dronkenschap, ruziezoekend gedrag en het uitslaan van onbehoorlijke taal was de schipper verplicht zo ‘iemand te gelasten’zich stil en vredig te houden ’ en indien dat niet lukte; meteen van boord op de wal af te zetten. Onderdeks gold het verbod te roken, indien ook maar één passagier daartegen bezwaar had, en dat aan de schipper te kennen gaf. Men kon met klachten terecht bij de commissaris voor de scheepvaart in de stad, die daarvan weer melding maakte in het verslag aan het stadsbestuur.

Particulieren hadden de mogelijkheid een trekschuit voor enkele uren of dagen ‘af te winnen’. Daarbij ging het om een korte tijd huren van een trekschuit voor privégebruik t.b.v. bijvoorbeeld groeps- of vrachtvervoer, of t.b.v het verhuizen van meubelen. In de Veenkoloniën noemd men verhuizen in de volksmond nog steeds wel ‘vervoaren’ (vervaren), een herinnering van het varend verhuizen door het Kieldiep; ieder jaar op 1 mei.

 

OPRICHTING KIELSTER VEERDIENST 

Bij resolutie van 9 juni 1798 besloot de Stad Groningen gehoor te geven aan het verzoek van de ‘gezamenlijke ingezetenen van de Kijl’ om ‘evenals andere coloniën’ op eigen kosten een gereguleerd veerschip te mogen aanleggen teneinde hun producten en waren van negotie (handelswaren) tweemaal per week van en naar Groningen te kunnen vervoeren en daar op een behoorlijke plaats te kunnen lossen en laden. In die resolutie werd vastgesteld dat het al bestaande ‘Winschoter Veer’ geen nadeel zou ondervinden en dat alles voor eigen risico van de verzoekers zou zijn. Hiermee gaf de Stad aan het verzoek van ‘De Geïnteresseerden bij het Kijlcompagniesterdiep en Vallaat’ gehoor en was de instelling van het Kielster Veer een feit. De exploitatie van het Kielster Veer was voor rekening van ‘De Geïnteresseerden’. Dus door de gezamenlijke vallaatakas van de boeren en stadsmeiers met gronden die afwaterden op het Kieldiep ‘boven’ het vallaat. Ook de Nieuw-Compagniester- en Annerveenschekanaalster boeren en stadsmeiers werden als participanten in het (nieuwe) samenwerkingsverband t.b.v. het veer betrokken; en organiseerden zich als ‘De Geïnteresseerden bij de Kijlcompagniester Trekschuit met den aankleve van dien’ (geïnteresseerden bij de vallaat werd dus voortaan geïnteresseerden bij de trekschuit). De participanten binnen de Geïnteresseerden waren dus indirect in hun persoonlijk vermogen financieel mede verantwoordelijk voor de veerdienst. Zij bewezen met de exploitatie van het veer de dorpssamenlevingen in en rond Windeweer indertijd een belangrijke dienst voor de bereikbaarheid. Dit paste in een traditioneel patroon van samengaan van eigen belangen en publieke hulpvaardigheid.

 

DE SNICK EN HET SNICKHUYS

In 1798 wordt de veerdienst m.b.v. ‘snicken’ via het Kielsterdiep naar de stad Groningen opgestart. ‘Snick’ is een ouderwets woord voor ‘klein bootje’. De vaste aanlegplaats van de snik volgens de resolutie van 1798 is ‘het Snickhuys’ (veerhuis), wat helemaal ‘bovenin’ (stroomopwaarts) het Kieldiep (waar het vlakbij overgaat in het Annerveenschekanaal) wordt opgezet.

Het snikhuis functioneerde net zoals het vallaatshuis als gelachkamer en herberg voor schippers, scheepsjagers en handelaren op doorreis. Met de aankoop van het snikhuis in 1822 verplaatste de bestuurlocatie van ‘de Geïnteresseerden’ zich van het verlaatshuis naar het snikhuis. Zo’n anderhalve eeuw vanaf 1798 behoorden de Kiel- Windeweer en ‘De snik op Stad’ bij elkaar totdat de veerdienst vanaf (+/-) de jaren 1930 werd weggeconcurreerd door de ‘Omnibus’: Openbaar vervoer over de verharde weg d.m.v. gemotoriseerde autobussen. De laatste snik uit Kiel heeft gevaren in 1949.

Heeft u een idee voor een nieuwsbericht voor op de website? Dan kunt u een zelf geschreven artikel insturen. Druk op de knop om naar het formulier te gaan waarmee u een nieuwsbericht kunt insturen. Deze zal dan worden beoordeeld door de redactie. Het ingezonden bericht wordt mogelijk ook in een volgende editie van dorpskrant ‘de Koerier’ geplaatst.
DE GESCHIEDENIS VAN KIEL-WINDEWEER (Deel 15): Het ontstaan van Nieuwe Compagnie.
DE GESCHIEDENIS VAN KIEL-WINDEWEER (Deel 14): ‘Geïnteresseerden bij de Kylcompagniester vallaat met den aankleve van dien’; Het eerste samenwerkingsverband waarin de inwoners in Windeweer zich verenigden om gezamenlijke belangen te behartigen.
DE GESCHIEDENIS VAN KIEL-WINDEWEER (Deel 13): De diepen in de Groninger Veenkoloniën liepen vol water. D.m.v. vallaten controleerde men het waterpeil.